Archief | Boekenlijst | Oerdriften en evolutie

 

deken
Oerdriften op de werkvloer is de titel van een dit jaar verschenen boek van prof. Dr. A.P. Buunk (Rijksuniversiteit Groningen, faculteit gedrags- & maatschappij-wetenschappen) bij Bert Bakker, Amsterdam (ISBN 9789035133815). VPRO-televisie journalist Wim Brands sprak daarover met de auteur op 19 september in zijn televisieprogramma.

Boek bespreking

Dat trok mijn belangstelling. Ik kocht het boek (336 pagina’s) las het en zette het vol onderstrepingen.

Mijn belangstelling werd vooral gewekt doordat prof Buunk in dat interview met verve zijn visie onderstreept, dat een nog overzichtelijke menselijke maat voor een effectieve ‘werkvloer’ tussen de 100 en 150 mensen telt. Daarbij ook in aanmerking nemend, dat CCN momenteel ongeveer aan die menselijke maatstaf voldoet! Ik las zijn boek terwijl op de achtergrond voortdurend de CCI aanpak door mijn hoofd speelde.

Dat CCI framewerk is overigens – in mijn visie – ook voortdurend aan verandering onderhevig. Je kunt dat ook evolutie noemen. Ook al zien we dat niet altijd even duidelijk. Het maakt naar mijn mening wel degelijk deel uit van het omvangrijke emancipatie proces waar we allemaal mee geconfronteerd worden. De CCI historie maakt ook duidelijk hoe dat karakter evolueerde van een hiërarchische aanpak in een methodiek waar alleen de eigen verantwoordelijkheid telt. En dit ingebed in respect voor alles en iedereen, inclusief andermans opvattingen. Dat betekent ook het participeren in de vrije aandacht – en dus ook het toelaten daarvan – en tegelijkertijd het nieuwsgierig op zoek zijn naar het waarom en waartoe van de dingen die ons in dit leven bezighouden. Bij het lezen van het boek van Buunk kwam ik des te meer onder de indruk van de betekenis die respect binnen CCI heeft, vergeleken met het op eigen belang gerichte gedrag tot en met wat Buunk noemt ‘de intraseksuele competitie’.  En tegelijkertijd realiseerde ik mij, hoe zeer ‘de werkvloer’ deel uitmaakt van ons dagelijks leven en hoe deze elkaar onderling ook beïnvloeden.

 

het begin

Aan het begin van zijn beschouwing herinnert Buunk er aan hoe de mens een product is van een heel lange evolutionaire ontwikkeling. Het gevolg daarvan is dat deze nu tal van ogenschijnlijk irrationele en door emoties gestuurde gedragingen vertoont. Aan de basis daarvan ligt onze intuïtieve behoefte aan sociale relaties samen met ons vermogen om in een onderdeel van een seconde te concluderen of we een ander kunnen vertrouwen of niet.
Een andere menselijke basisbehoefte die hij aanhaalt is die om anderen te helpen. Dat gedrag komt naar zijn mening voort omdat we hopen er ook iets voor terug te krijgen. Overigens zegt hij, ‘we moeten ons niet blindstaren op de verstandelijke vermogens van mensen’. Het wordt meer en meer duidelijk dat we de intelligentie van dieren grotelijks onderschatten’.  Anderzijds hoeven we ons, dankzij onze verstandelijke capaciteiten, ook niet totaal te laten leiden door ons instinct. We zijn immers best in staat om die te beheersen.
Al lezende realiseer ik me dat we overigens allemaal vrij zijn hoe we het fenomeen ‘leven’ willen duiden en in wat voor soort gemeenschap we dat willen beleven. Zoals bekend stoelt de CCI ‘filosofie’ op de humanistische psychologie. Juist daarom is het zinvol om ook in aanmerking te nemen hoe bijvoorbeeld in wetenschappelijke kring er ook tegen aan gekeken wordt waar we vandaan komen!
Een andere zaak is of wij ook met ons bewustzijn inderdaad zijn getransformeerd, of dat we daartoe op weg zijn. Ook op dit moment!  Tegenover een dergelijke hoopvolle visie staat dan de visie dat ons interpersoonlijk gedrag alles van doen heeft met onze overlevingsdrang en voortplantingsdrift.
Voor mij heeft dat overigens ook alles te maken met persoonlijk verworven inzichten. En de vraag in hoeverre deze bijdragen tot persoonlijke transformatie. Het is duidelijk dat in dat opzicht onze ‘wereld’ tot nu toe gebouwd is op autoritair grondslagen. De uitdaging is, hoe het wordt zonder die ‘autoriteit’ en gebaseerd op respect ten opzichte van alles en iedereen. In mijn opvatting is dat de kern van de CCI omgang  met onze eigen emoties die leidt tot wezenlijke transformatie. In ieder geval is het ’t proberen waard!

 

evolutie

Sprekend over evolutie wijst Buunk er op, dat dit fenomeen nooit stilstaat en ook op dit moment verder gaat. En dat er bij dit verschijnsel ‘niet alleen sprake is van een genetische aanpassing, maar vooral van een ongekend vermogen om zich aan te passen’. Hij stelt dan ook: ‘misschien is dat aanpassingsvermogen wel het meest kenmerkende van de mens’ en niet zijn intelligentie of zelfbewustzijn. Aansluitend stelt hij het fenomeen taal aan de orde en met name het creatieve aandeel daarin.  Sprekend over de inhoud haalt hij de Britse antropoloog Robin Durban en zijn collega’s aan. In een reeks observatiestudies noteren ze om de dertig seconden het gespreksonderwerp van mensen. Mannen bleken het voor 63% en vrouwen voor 70% te hebben over sociale onderwerpen. Hij merkt daarbij op dat taal een uitstekend vervoermiddel is om uit te wisselen hoe het anderen in hun relaties vergaat (roddelen) en om hun eigen kwaliteiten te adverteren. Daartoe wordt Durban andermaal geciteerd. Die meent dat roddelen de kern is van de menselijke sociale relaties. Taal is volgens hem  ‘vooral geëvalueerd om de binding in grote groepen mogelijk te maken, mede omdat het ons in staat stelt informatie over anderen uit te wisselen’(pag. 54).
Overigens is deze rationele benadering, hoe plausibel ook, weer een voorbeeld van een in zekere zin autoritaire verklaring. Het is overduidelijk dat het verschijnsel taal geweldig bijdraagt om onze informatiehonger te stillen. In dat verband wijst hij overigens ook op menselijke maat en de effectiviteit van werkunits van 100 tot 150 mensen. Simpel omdat het informele menselijke controlesysteem een grotere omvang dan van 100 tot 150 mensen niet aan kan. En in populaire taal betekent dat: hoe groter de groep, hoe ingewikkelder controlesysteem!
Op zich zelf is die constatering ook weer aanleiding voor het opzadelen van wat we vroeger terecht de afdeling personeelszaken noemden (nu ‘human resources ‘geheten), met allerlei objectieve tests en meer of minder wetenschappelijk gestoelde beoordelingsmethodieken. In dat kader merkt Buunk op dat het aannemen van mensen op basis van indrukken en intuïtie strategisch als onverantwoord wordt gezien. Even later merkt hij droogjes op dat psychologische theorieën niet door God gegeven zijn, maar door mensen bedacht. In tegenstelling daarmee stelt hij dat mensen uitstekend in staat zijn anderen in korte tijd te leren kennen. In dat verband verwijst hij naar een onderzoek van de psychologen Bar, Neta en Linz (2006)dat aantoont dat de eerste indrukken van mannen, speciaal die een bedreiging uitstralen, meestal binnen de eerste 39 milliseconden worden gemaakt. Komt er daarna meer informatie beschikbaar, dan wordt de beoordeling er niet accurater op. Voor de oorzaak van dit alles zegt hij later, sprekend over discriminatie, dat dit evolutionair  heel wel te begrijpen is ‘omdat mensen iemand willen die in de groep past’.

 

delen en samenwerken

In hoofdstuk 4 (van de tien) stelt hij de oerdrift om anderen te helpen aan de orde. En heeft daar veel woorden voor nodig. Een mogelijke evolutionaire verklaring zou kunnen zijn, dat  mensen graag iets voor een ander doen opdat ze er zelf ook iets voor terugkrijgen. Onzelfzuchtig gedrag betaalt zich en is wederzijds beoefend een kenmerk van gezonde mensen, schrijft Buunk. In dat kader verwijst hij ook naar de visie van de vijftiger jaren waarin de invloedrijke bedrijfspsycholoog Donald McGregor stelt dat de meeste managers uitgaan van drie negatieve aannames over de menselijke natuur. Dat zijn: 1) de gemiddelde mens heeft een inherente hekel aan werken; 2) en moeten daarom gecontroleerd worden en 3) de gemiddelde mens wil een leider.
Maar we zijn niet allemaal gelijk en daarom besteedt Buunk uitvoerig aandacht aan afgunst, jaloersheid, leedvermaak, het overmatig roze zelfbeeld, narcisme, pesten enz. en dat ook weer gezien binnen en tussen groepen mannen en vrouwen. Ook in het kader (seksuele) relaties en leiderschap. Waarbij seksuele relaties de ‘ultieme oerdrift’ wordt genoemd. Evolutionair gezien komt hij daarmee bij ‘de menselijke nood om deel uit te maken van een groter geheel’. Wat ook bij John Heron een van de (drie) menselijke basisnoden is’; naast begrijpen en begrepen worden enerzijds en liefde ontvangen en geven anderzijds.
Buunk stelt daarbij dat de mens een bij uitstek sociaal wezen is. Dit draagt ook wezenlijk bij tot hun welzijn. Daarvan verstoken zijn is zowel voor lijf en geest ongezond. In het laatste hoofdstuk van zijn
Beschouwing wijst hij er op dat het beschrevene zijn huidige persoonlijke visie is. Onderdeel daarvan is dat in zijn visie ‘wetenschappelijk onderzoek allereerst gedreven moet worden door nieuwsgierigheid, verbazing en vertwijfeling’.  Daarbij is de toepassing van evolutionaire inzichten op het menselijk gedrag nog relatief nieuw. Het gaat er daarbij niet om, het juiste antwoord te geven maar om de juiste vraag te stellen.  En in dat kader is het terecht om deze aanpak ook in het kader van de CCI aanpak te beschouwen.
Bij het vertalen van deze aanvankelijk voor CCI World News Service in het Engels geschreven versie valt  op dat, in tegenstelling tot het functionele gebruik van het begrip respect binnen CCI, voor respect geen specifieke plek is in het hier overigens hartelijk aanbevolen boek van prof. Buunk.